Naam: Franz Verheij
Geboortedatum: 07-09-1941
Rang: Soldaat 1e klasse
Landmacht
Lichting: 61-3
Eenheid: Stoottroepen
Locaties: Den Bosch, Roozendaal
Steenwijk
Ermelo
Missie: Nieuw-Guinea
Onderscheidingen: Herinneringsmedaille
Franz ging na de LTS naar de machinisten avondschool. “De dagopleiding konden mijn ouders gewoon niet betalen”, zegt Franz heel eerlijk. Toen hij zijn diploma behaalde, ging hij bij Shell Tankers varen. Dat beviel hem niet, dus monsterde hij aan bij de Rotterdamse Lloyd, waar hij als machinist op de wilde vaart terechtkwam. Daardoor was hij regelmatig heel erg lang van huis.
Op een goede dag lag er een brief thuis, dat hij zich moest melden om in militaire dienst te gaan. Maar hij wilde eigenlijk nog één keer een reis naar Australië maken. Ondertussen leerde hij ook zijn huidige vrouw kennen. “Het was wel een moeilijke keuze om eerst in dienst te gaan en daarna pas te trouwen,” zegt hij. “Maar we zijn al meer dan 60 jaar getrouwd!”
In het begin van 1961 meldde hij zich in Den Bosch, daar kreeg hij de basisopleiding, verdere opleidingen via Rozendaal naar Steenwijk. We waren veertien dagen op bivak geweest en kregen we het bericht dat we direct verplicht naar Nieuw-Guinea moesten,” geeft Franz aan.
Franz meldde zich in Ermelo bij de stoottroepen, waar hij maar een paar dagen zou verblijven. Hij zou met het schip ‘De Waterman’ naar Nieuw- Guinea varen, maar door omstandigheden miste hij dat schip. Hij ging later per vliegtuig naar Curaçao, waarna hij aan boord van ‘De Zuiderkruis’ zijn reis richting Nieuw-Guinea vervolgde. Glimlachend zegt hij dan ook: ” Ik ging eerst in westelijke richting naar Nieuw-Guinea en later vanuit Nieuw-Guinea ook weer in westelijke richting naar huis. Ik heb dus in militaire dienst de wereld helemaal rondgevaren.”
In Nieuw-Guinea kwamen de militairen terecht op de marinebasis in Biak, “Wij hadden allemaal geen enkele ervaring met de tropen, dus zouden we daar acclimatiseren. We hadden eigenlijk geen enkel idee, waar we terechtgekomen waren.”
Dat acclimatiseren duurde precies twee dagen, want midden in de nacht ging het alarm af. Iedereen dacht: ‘grapje, dat is weer zo’n oefening!’ Maar het bleek menens te zijn, want aan de ander kant, op het Onin schiereiland in het westen van Nieuw-Guinea waren zo’n 200 Indonesische parachutisten geland, Franz: “Die noemden wij ‘ploppers’. We moesten ze gaan opvangen en verjagen, dus werden we met een boot, de Snellius van de marine naar dat schiereiland gevaren. Daar werden we bij het dorpje “Passarpendek” aan wal gezet. Terwijl wij daar aankwamen, hoorden we in de verte geweerschoten. Nederlandse Mariniers waren een stuk verderop geland, die waren direct in een hevig vuurgevecht met de Indonesische parachutisten betrokken geraakt.”
Er was in die tijd geen of nauwelijks communicatie mogelijk, dus wisten de Stoters eigenlijk helemaal niet wat ze moesten doen. Omdat Franz tijdens zijn wilde vaart al een paar woordjes Maleis geleerd had, kon hij met de Papoea’s een heel klein beetje communiceren. Helaas had zijn peloton weinig aan de luitenant, zodat Franz al vrij snel de leiding min of meer overnam.
Het peloton maakte zo goed en zo kwaad het kon een bivak in het oerwoud en ervoeren zeer snel wat voor geluiden, lichtjes en dieren in de rimboe normaal zijn. Een aardig voorval daarvan is dat één van de medesoldaten, die van een boerderij kwam, ’s nachts overal lichtjes zag. Dus waren er overal die Indonesische parachutisten, die met hun zaklamp schenen. De anderen konden hem al snel geruststellen, omdat het vuurvliegjes waren. Ook schrokken de militairen van laag overvliegende honden, een soort vleermuizen, die wel heel grote vleugels hadden.
Regelmatig werd er patrouille gelopen, maar in het oerwoud zijn geen snelwegen, dus moesten ze zichzelf of een weg banen of langs een rivier blijven lopen. Al snel konden ze wat beter met de Papoea’s opschieten, zodat zij konden gidsen. De jonge inboorlingen zagen aan allerlei signalen in het oerwoud of er iemand geweest was, of waar ze heen moesten. Ook zorgden ze voor ‘vers’ eten door met pijl en boog wild te schieten.
“Bij patrouilles langs een rivier liepen moesten we goed opletten, dat je je voeten goed wegzette. Dus keken we erg veel naar beneden,” vertelt Franz. “Ondertussen hield je je vast aan lianen, die braken nog wel eens af, dus lag je in het water. Het is ook meermaals gebeurd, dat je niet een liaan vastpakte, maar iets anders: een slang bijvoorbeeld, die zich al snel om je arm krulde. Een echt gevaar waren bloedzuigers, die zich dwars door je broek heen aan je been vastzogen. De enige manier om daarvan af te komen, was ze met een sigaret dood te branden.”
Over kleding gesproken: de Nederlandse militairen liepen in niet echt aangepaste kleding voor de tropen. Soms veertien dagen lang in dezelfde lange broek en hemd met lange mouwen, ook te voorkomen dat ze geprikt werden. Terwijl de mannelijke Papoea’s alleen een peniskoker droegen. Franz lachend daarover: “Toen we al bijna weer naar huis gingen, kregen we zomaar tropenkleding door de legerleiding uitgereikt. Maar ja; met korte mouwen en korte broeken heb je niet veel beveiliging tegen allerlei ongedierte!”
Half augustus was er in Indonesië een soort nationale feestdag en daardoor had de legerleiding de angst uitgesproken, dat vanuit Indonesië er misschien wel een grootscheepse invasie plaats zou vinden. Alle eenheden moesten naar het strand om daar stellingen te bouwen. Die invasie is overigens nooit doorgegaan.
Uiteindelijk is Franz acht maanden uit en thuis geweest. Hij voer met het schip ‘The Seven Seas’ in november 1962 weer naar Nederland terug. Bij thuiskomst kregen de militairen zowaar 14 dagen verlof. Dat was trouwens wel nodig, want toen Franz met de missie weg ging, woog hij 83 kg. en toen hij terugkwam woog hij nog maar 53 kg.
Nadat Franz de landmacht verlaten had, is zijn werkzame carrière in onze regio begonnen. Hij werkte bij diverse werkgevers in de petrochemie en ging met 57 ½ jaar met pensioen. Zijn veteranen verleden steekt hij tegenwoordig niet onder stoelen of banken, want hij gaat regelmatig als ‘Veteraan voor de klas” naar diverse scholen om in de klassen zijn verhaal over Nieuw-Guinea te vertellen.