Een leven op zee
Herinneringen van een marineveteraan (1953–1963)
„De marine heeft een enorme impact op mij gehad en dat draag je je hele leven met je mee.”
Keuring en inlijving
In het najaar van 1953 meldde ik mij voor de voorselectie bij het hoofdkwartier van het Korps Mariniers in Rotterdam. Van de ruim vijftig kandidaten die die ochtend aantraden, mochten er al velen na de lichamelijke keuring naar huis. 's Middags werden de overgeblevenen mentaal en politiek „doorgezaagd”. Uiteindelijk bleven we over met zestien jongelieden.
Enkele weken later werden we in het selectiekamp in Voorschoten binnenstebuiten gekeerd. Aan het einde van de eerste week werd opnieuw de helft afgekeurd. Aan het einde van de tweede week vernamen de geslaagde kandidaten, dat er geen bezwaren waren tegen hun indienstneming. De paperassen lagen al klaar. En daarmee was ik ingelijfd bij de Koninklijke Marine. Daar heb ik nooit spijt van gehad.
Opleiding: van exercitie tot elektrotechniek
In december 1953 vertrok ik naar het Marine Opleidingskamp bij Hilversum, gelegen in een voormalige Duitse Luftwaffe-kamp uit de Tweede Wereldoorlog – stenen barakken verscholen in de bossen, naast een vliegveld. De opleiding was pittig. Tweemaal per week om zes uur 's ochtends ochtendgym, gevolgd door een hardlooprondje om het kamp. Kleding moest altijd onberispelijk zijn, schoenen elke dag gepoetst, alle verplaatsingen gingen in de looppas. Na vier maanden militaire vorming mochten we het dienstvakonderscheidingsteken op de mouw naaien en verhuizen naar het volgende avontuur.
Dat was de tweejarige technische opleiding elektromonteur op het marine-etablissement in Amsterdam. Het vakkenpakket was breed: gelijk- en wisselstroom, zwakstroom, telefoon- en dieptemeterinstallaties, giro-kompassen, algebra en werktuigkunde. Van de zevenentwintig leerlingen waarmee we begonnen, haalden slechts vijf in één keer de eindstreep. De kameraadschap in de klas was bijzonder – het ging er niet om elkaar de loef af te steken, maar om samen het doel te bereiken. Die sfeer zou ik later op de vloot terugvinden en ik zou haar missen voor de rest van mijn leven.
De poolreis en een orkaan op de Atlantische Oceaan
Mijn eerste plaatsing was aan de boord van een onderzeebootjager die nog in de laatste fase van haar vaargereedheid verkeerde bij een Rotterdamse scheepswerf. In december 1956 maakte ik met dit schip een poolreis langs de Noorse kust, langs Spitsbergen tot aan de ijsgrens en via Groenland naar IJsland. Die reis zou mij mijn hele leven bijblijven.
Op de reis terug liepen we in een zware orkaan. De inclinatiemeter in de machinekamer sloeg tot voorbij de vijftig graden. Houten sloepen gingen aan flarden. Motorsloepen bevroren en werden zo zwaar dat de funderingsplaten begonnen te scheuren. De ziekenboeg liep vol zeewater en moest ontruimd worden. Via een constructiefout in het dek liep onophoudelijk zeewater de machinekamer in. Het tweede elektrische kompas gaf de geest. De totale schade bedroeg rond de twee miljoen gulden.
De enige manier om de orkaan te overleven was de enorme golven „af te rijden” – alles wat gewicht had, werd zo diep mogelijk in het schip gebracht, lege tanks werden met zeewater gevuld om de stabiliteit te verhogen. Op de derde dag lukte het schip honderdtachtig graden te draaien en koers te zetten naar huis. Het schip werd nadien uit dienst gesteld en omgebouwd tot opleidingsschip.
Bijna vijf jaar op een vliegkampschip
Na de kaderschool werd ik geplaatst op het vliegkampschip Hr. Ms. Karel Doorman, destijds één van de grootste schepen van de Nederlandse marine. De algemene verbouwing had drie en een half jaar geduurd: meer dan tweeduizend ton staal verwerkt, tweehonderd kilometer elektrisch kabelwerk en honderd kilometer pijpleiding aangelegd.
Aan boord werkte ik bijna vijf jaar in de sterkstroom – de opwekking en verdeling van elektrische energie voor het hele schip. Op zee maak je al snel tachtig tot negentig uur per week. Op het hoofdschakelbord, het zenuwcentrum van het schip, draag je een enorme verantwoordelijkheid voor de gehele bemanning. Geen stroom, geen actie. Dat besef is een deel van mij geworden.
Nieuw-Guinea: de laatste uitzending
Mijn laatste grote uitzending bracht mij begin 1963 naar Nederlands Nieuw-Guinea. De situatie was ernstig gespannen. Indonesië kende een indrukwekkende strijdmacht: duizenden parachutisten en mariniers met amfibievoertuigen, twaalf onderzeeboten onder Russisch commando, bommenwerpers op de eilanden en Russische raketten opgesteld op Java. Onze strijdmacht was een fractie van die omvang en moest een gebied verdedigen ter grootte van de helft van Europa.
Ons schip voer zes weken patrouille, gevolgd door een week binnenliggen in een open haven, waar een vijandelijke torpedo niet ondenkbaar was. Langs de reling liepen gewapende matrozen met handgranaten paraat. Twee vijandelijke vliegtuigen werden neergehaald; het enige wat daarna nog zichtbaar was, was een plas olie op het water. Regelmatig werden vijandelijke onderzeeboten gelokaliseerd en 'gepinkt', met alle commotie van dien.
Uiteindelijk werd het conflict beëindigd door de diplomatieke tussenkomst van de Amerikaanse president Kennedy. Zonder die interventie had ik deze regels waarschijnlijk niet geschreven.
Afscheid van de marine
Mijn hart lag bij de marine, maar mijn verstand gaf de doorslag. Den Helder was ver weg van familie en vrienden. Mijn vrouw had lange periodes alleen gestaan – zonder man aan haar zijde bij alledaagse tegenslagen, bij vreugde en verdriet. Ik had overwogen bij te tekenen en de onderofficierenopleiding te volgen, maar de laatste uitzending naar Nieuw-Guinea had mijn beslissing definitief gemaakt. In het najaar van 1963 verliet ik de zeedienst. Het ontslag duurde zo'n tien minuten, onder het lawaai van de klinkhamers op een Rotterdamse scheepswerf.
In de loop van mijn diensttijd bezocht ik talloze landen: Portugal, Frankrijk, Engeland, Schotland, Ierland, IJsland, Noorwegen, Zweden, Denemarken, Duitsland, Rusland, Canada, de Verenigde Staten aan beide kusten, Colombia, Curaçao, Chili, Argentinië, Brazilië, Mauritius, Australië, Nieuw-Guinea, Guam, Midway en Hawaï. Ik heb beide grote kapen gerond en het Panamakanaal bevaren. Een poolreis voerde mij tot aan Jan Mayen.
Eenmaal marineman, altijd marineman.
Die periode heb ik tot aan het einde van mijn leven met me meegedragen.
Ter nagedachtenis
Op 13 augustus 2025 is deze veteraan overleden. Geheel naar zijn eigen wens, is zijn as op open zee te water gelaten vanaf Zr. Ms. Evertsen. Zo keerde hij terug naar de zee die hem had gevormd – en die hij nooit vergeten had.